In het boetebeleid met betrekking tot privégebruik van de auto van de zaak kan de boete oplopen tot 100%. Maar dat moet wel in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten.

In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst geldt als uitgangspunt voor grove schuld dat de inspecteur een boete oplegt van 25%. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering:

–   Voor correcties met betrekking tot privégebruik van de auto van de zaak geldt dat de boete 40% is bij grove schuld.

–   Bij opzet bedraagt de boete 80%.

–  Als er sprake is van een onjuiste of onvolledige kilometeradministratie, dan is de boete zelfs 100%.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde onlangs dat dit willekeurige regels zijn en verlaagde de boete naar 25%. De staatssecretaris gaat niet in cassatie, maar blijft wel bij zijn boetebeleid.

Geen goede rittenregistratie auto van de zaak

De zaak betrof een internationaal transportbedrijf dat aan een werknemer een personenauto ter beschikking had gesteld. De werkgever wist dat de kilometeradministratie voor een groot deel op stelposten was gebaseerd en dat de echte kilometerstand regelmatig niet aansloot bij de stand in de administratie. Ondanks deze kennis hield de werkgever bij zijn aangifte loonheffingen geen rekening met het privégebruik.

De inspecteur legt een naheffingsaanslag over 2010 op, omdat de rittenregistratie niet aan de vereisten voldoet. Omdat volgens de inspecteur sprake is van grove schuld (par. 25, lid 2 BBBB) legt hij de onderneming een vergrijpboete op van 100% (par. 28, lid 7 BBBB), die in bezwaar is verminderd tot 80%.

Boetebeleid en straftoemeting

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in deze zaak geoordeeld dat het aannemelijk dat de werkgever wist of moet hebben geweten dat geen adequate rittenadministratie kon worden overgelegd. Evenals de inspecteur is het hof van oordeel dat sprake is van grove schuld.

Het hof vindt echter dat paragraaf 28, lid 6 en lid 7 BBBB geen goede basis biedt voor een afgewogen straftoemeting. Gelet op alle feiten en omstandigheden is volgens het hof een boete van 25% in beginsel passend en geboden.

 –  Het hof noemde de verhoging van de boete naar 100% in geval van een onjuist of onvolledige kilometeradministratie (par. 28 lid 7                      BBBB) een willekeurige maatregel, waarbij, buiten de omstandigheid dat minimaal sprake moet zijn van grove schuld, de mate van   verwijtbaarheid losgelaten als criterium voor straftoemeting.

–  Ook de verhoging van de boete om de enkele reden dat de boete betrekking heeft op een bepaald onderdeel van de belastinggrondslag, te weten de bijtelling voor privégebruik auto (par. 28 lid 6 BBBB) is volgens het hof te willekeurig.

Noch de omstandigheid dat de regeling voor het ‘privégebruik auto’ moeilijk te controleren is voor de Belastingdienst, noch de omstandigheid dat deze regeling fraudegevoelig is, brengen het hof tot een ander oordeel.

Inspecteur moet ernst van de feiten toetsen

De staatssecretaris is het weliswaar niet eens met dit oordeel, maar gaat niet in cassatie. Omdat in geval van onjuiste en onvolledige kilometeradministraties vaak sprake kan zijn van manipulatie, listigheid dan wel valsheid in geschrifte, en de inspecteur dus wordt misleid, zijn volgens hem hogere boetes verdedigbaar.

Uitgaande van die hogere boetes moet de inspecteur echter wel steeds beoordelen of de feiten voldoende ernstig zijn om ook een dergelijke hogere boete op te leggen. Uitgangspunt moet blijven dat de boete gezien de feitelijke situatie passend en geboden is. Deze toets (par. 6 en 7 BBBB) heeft de inspecteur in deze zaak echter niet toegepast. In dat licht bezien kan de staatssecretaris zich vinden in de beslissing van het hof.

Bron: Loonaken. Na 13 augustus 2014 zijn er geen wijzigingen meer in dit artikel aangebracht, derhalve zijn ook wijzigingen in regelgeving of ontwikkelingen in de rechtspraak van latere datum, niet verwerkt.